🚨 Filmen tijdens hulpverlening op de A58? Nee, dat mag niet — en het kost je 449 euro

29 bestuurders zijn woensdag beboet omdat ze de nasleep van een zware botsing op de A58 bij Oirschot hebben gefilmd. De Verkeerspolitie Oost-Brabant deelde het bericht zelf via sociale media — en daarbij was duidelijk: dit was geen ‘slapende’ overtreding, maar een bewuste keuze om tijdens een heftig incident met de telefoon te filmen.

Terwijl hulpverleners twee gewonde slachtoffers probeerden te helpen, stond er een lange file — en in die file bleken veel chauffeurs juist niet hun ogen op de weg te houden. “Voor sommigen was het blijkbaar heel lastig om tijdens het rijden de mobiele telefoon los te laten”, schrijft een agent. En ja: ze filmden én maakten foto’s — zowel tijdens de hulpverlening als tijdens het politieonderzoek op de plaats delict.

Dat is niet alleen wettelijk verboden (en dus strafbaar), maar volgens de politie ook volkomen onaanvaardbaar op menselijk vlak. “Achter ieder incident schuilt een persoonlijk drama”, benadrukt de boodschap. En dat drama wil je niet op je telefoon vastleggen terwijl je aan het sturen bent.

De prijs voor die keuze? Een forse boete van 449 euro — per persoon.

Bekijk origineel artikel

Defensie zwijgt over mysterieuze drones boven Brabantse vliegbases – uit angst dat vijanden zwakke plekken ontdekken

Defensie wil niets meer loslaten over de raadselachtige drones die regelmatig boven militaire vliegbases in Brabant zijn gezien – denk aan Gilze-Rijen en Volkel. Het ministerie houdt bewust zijn mond, omdat het bang is dat te veel informatie tegenstanders in handen speelt: dan zouden ze kunnen uitzoeken waar de beveiliging van onze vliegbases en het Nederlandse luchtruim het meest kwetsbaar is.

Dat blijkt uit antwoorden op een verzoek via de Wet openbaarheid van bestuur (Woo) van RTL Nieuws. Eind vorig jaar kreeg Brabant al meerdere keren te maken met verdachte drones vlak bij militaire locaties. Zo werden er drones gespot bij Gilze-Rijen én bij Volkel. Ook het vliegverkeer op Eindhoven Airport werd in november 2025 tijdelijk stilgelegd nadat meerdere drones waren waargenomen. En het stopte niet bij Brabant: vergelijkbare incidenten deden zich ook voor bij de NAVO-basis in Brunssum. Maar nu wil Defensie daarover bewust zo min mogelijk vertellen.

‘Zorgwekkende ontwikkeling’

Een interne nota van Defensie – die wél openbaar is gemaakt – spreekt van een ‘zorgwekkende ontwikkeling’. De drones die nu opduiken, zijn nieuwer en groter dan alles wat Defensie tot nu toe tegenkwam. Ze vormen niet alleen een risico voor het burgerluchtverkeer, maar kunnen ook een directe bedreiging zijn voor de veiligheid van militaire installaties. Als zulke drones weer opduiken, kan Defensie proberen hun besturing te verstoren of ze zelfs uit de lucht te schieten. Dat is in Brabant al gebeurd: op 21 november 2025 werden tot tien drones boven vliegbasis Volkel gezien – militairen opende vuur, maar zonder resultaat. Een dag later leidde de aanwezigheid van drones tot een stillegging van het vliegverkeer op Eindhoven Airport gedurende enkele uren.

Waarom zegt Defensie niets meer?

Meer details wil Defensie gewoon niet geven. Onduidelijk blijft bijvoorbeeld hoe vaak drones precies boven militaire locaties zijn gezien, wat er tijdens die waarnemingen is vastgesteld, of er na november 2025 nog meer dergelijke incidenten zijn geweest. De reden is duidelijk: te veel informatie kan vijandelijke actoren helpen. Zij zouden dan kunnen afleiden hoe Nederland drones detecteert en bestrijdt – en vooral waar de gaten in onze luchtverdediging zitten. Defensie neemt ook serieus de kans dat drones worden ingezet om militaire locaties te verkennen of te verstoren.

Russische schaduwvloot als mogelijke bron

Eerder kwam al naar buiten waar de drones mogelijk vandaan komen. Onderzoekers van het Britse International Institute for Strategic Studies (IISS) concludeerden afgelopen zomer dat de drones bij Volkel, Gilze-Rijen en Eindhoven hoogstwaarschijnlijk afkomstig waren van schepen uit de Russische ‘schaduwvloot’. Volgens hen wilde Rusland hiermee onder andere testen hoe snel de NAVO reageert – en welke knelpunten er zitten in de luchtverdediging. Juist over dit soort inzichten wil Defensie nu absoluut niets prijsgeven.

RTL Nieuws overweegt bezwaar aan te tekenen tegen het besluit van Defensie om zo weinig informatie vrij te geven.

Bekijk origineel artikel

🚨 De Europese Rekenkamer ziet rode cijfers op de EU-rekening

De Europese Rekenkamer (ERK) is flink bezorgd: de schulden van de Europese Unie stijgen razendsnel. Op dit moment staat de totale EU-schuld op maar liefst 740 miljard euro, en volgens de ERK zal die in 2027 waarschijnlijk oplopen naar 1 biljoen euro — ja, dat is 1.000.000.000.000 euro. Niet mis.

Dat is geen toeval, maar het gevolg van een aantal grote uitgavenposten:
– De steun aan Oekraïne,
– De stijgende rente (die de terugbetaling van oude leningen duurder maakt),
– Meer geld voor defensie, én
– Het coronaherstelfonds — een speciaal fonds dat in 2020 werd opgericht om de economie te helpen herstellen na de pandemie.

En daar zit nog een behoorlijke klus in: er moet nog ruim 112 miljard euro uit dat fonds worden uitgekeerd.

📜 Een nieuw model voor de toekomst? Of juist een risico?

Brussel overweegt nu om de volgende meerjarenbegroting (2028–2034) op dezelfde manier in te richten als het coronaherstelfonds: landen krijgen dan vooraf geld, zodra ze hun plannen indienen. In die plannen moeten ze duidelijk uitleggen hoe ze EU-doelen willen halen — bijvoorbeeld op het gebied van klimaat, digitalisering of sociale zekerheid.

Maar de Rekenkamer ziet hier een groot gevaar. In haar jaarverslag wijst ze erop dat het coronaherstelfonds al heeft laten zien dat het systeem te vaag en te moeilijk te controleren is. Landen konden namelijk hun plannen tijdens het traject versoepelen of inkorten — vaak zonder overtuigende redenen of bewijs. Dat betekent: geld kwam binnen, terwijl de beloofde resultaten achterbleven.

En dat speelt zich nu al uit: in de EU-rekening van 2025 vond de Rekenkamer onregelmatigheden van maar liefst 45,5 miljard euro. Veel daarvan hing samen met zwakke of onduidelijke controlesystemen bij lidstaten — kortom: te weinig grip op waar het geld precies heen gaat en wat er mee wordt bereikt.


Bekijk origineel artikel

Werkgeluk zit niet in het grote pakket — maar in de kleine, leuke momenten tijdens én na de werkdag

Epassi liet onafhankelijk onderzoek doen naar stress en welzijn op de Nederlandse werkvloer. En wat blijkt? Het is vaak niet het grote beleid of de spectaculaire maatregel die werknemers echt opvrolijkt — maar juist de kleine, persoonlijke momenten van ontspanning, plezier of verbinding.

Van de werknemers zegt 41 procent dat ‘ontspannen of opladen’ het meest bijdraagt aan een fijne werkdag. Toch vindt slechts één op de drie dat hun werkgever daar tijdens de werkdag ook echt ruimte voor maakt. Terwijl werkgevers er zelf ook duidelijk baat bij hebben: 77 procent van de medewerkers voelt zich sterker verbonden met de werkgever als die actief bijdraagt aan hun welzijn.

En als die kleine positieve momenten langdurig uitblijven? Dan daalt bij de meeste werknemers ook de motivatie.

“De vraag is niet alleen hoe werkgevers stress kunnen aanpakken, maar ook: hoe creëren ze meer momenten waarop werknemers kunnen opladen?”
— Barradas

Bij Epassi noemen ze dat ‘yeah-momenten’: korte, authentieke momenten van plezier of rust — tijdens én na de werkdag — die de stress op de werkvloer én daarbuiten helpen verlagen.

Niet één maat voor iedereen — maar keuze die past bij jou

Wat iemand energie geeft of helpt om op te laden, verschilt per persoon. En dat kan zelfs veranderen tijdens de loopbaan of in een andere levensfase. Bij de een werkt een structureel sportschoolabonnement prima, bij de ander is het een coachingssessie die het verschil maakt, en weer iemand anders voelt zich gewaardeerd door de mogelijkheid om belastingvrij een fiets aan te kopen.

“Het probleem is niet dat werkgevers geen voordelen aanbieden of willen aanbieden — maar vaak zijn het ‘one size fits all’-oplossingen.”

Dus het gaat niet om meer voordelen, maar om betere voordelen: flexibeler, persoonlijker en afgestemd op verschillende behoeften, generaties en situaties.

Natuurlijk wegen werknemersvoordelen niet op tegen een chronisch hoge werkdruk, een te laag salaris of een ongezonde werksfeer. Maar het onderzoek laat wel zien dat kleine dingen — zoals sporten, gezond eten, coaching, af en toe een massage of verlof nemen wanneer het uitkomt — écht bijdragen aan het algemene welzijn. En dat zegt veel over hoeveel oog de werkgever heeft voor de mens achter de medewerker.

Hoe ziet dat er in de praktijk uit?

Via het Epassi-platform krijgen werknemers toegang tot een breed aanbod:
– Ruim 5.000 sportlocaties
– Partners als Treatwell (voor massages en wellness), Meditation Moments (voor digitale ontspanning) en Lease a Bike (voor belastingvrije fietsaankoop)

Inmiddels gebruiken ruim 4.600 werkgevers — waaronder PostNL, Van Lanschot Kempen en YoungCapital — dit platform om hun medewerkers meer keuze en flexibiliteit te bieden.

Want het kerninzicht van het onderzoek is simpel:
Werkgeluk zit niet in één grote maatregel — maar in de optelsom van kleine momenten die gedurende de dag zorgen voor ontspanning, energie of verbinding.
Tijdens de werkdag, maar ook daarbuiten. En wat daarbij werkt, verschilt per persoon — en kan veranderen.

Voor werkgevers betekent dat: wellbeingbeleid hoeft niet uit te gaan van één standaardaanbod. Het mag juist ruimte bieden voor diversiteit in behoeften, levensfasen en voorkeuren.

“Als mensen zelf kunnen kiezen wat bij hen past, kunnen werknemersvoordelen veel meer bijdragen aan hun welzijn én werkgeluk.”
— Barradas

Deze visie stond centraal tijdens Reward 2026 ‘The Wellbeing Edition’ in de RAI Amsterdam — een evenement van Epassi over hoe organisaties hun beleid beter kunnen laten aansluiten op de veranderende behoeften van werknemers.

Meer weten over Epassi en hoe jij of jouw organisatie een flexibel wellbeingbeleid kunt opzetten? Bekijk de website voor meer informatie.

Deze blogpost is tot stand gekomen in opdracht van Epassi en valt buiten de redactionele verantwoordelijkheid van RTL Z.

Bekijk origineel artikel

Gekte op de woningmarkt is voorbij: overbieden is niet meer vanzelfsprekend

Dat blijkt uit de nieuwste kwartaalupdate van de NVM — de Nederlandse makelaarsvereniging. Makelaars die bij de NVM aangesloten zijn, regelen zo’n 70 procent van alle kooptransacties in Nederland. En wat zien we nu? De gemiddelde verkoopprijs van een woning lag in het derde kwartaal van dit jaar op 503.000 euro. Dat is slechts 1,8 procent hoger dan een jaar geleden — dus vrijwel plat.

Ook het aantal verkochte huizen blijft stabiel: ongeveer 41.700 woningen in de afgelopen drie maanden. Bijna evenveel als in dezelfde periode vorig jaar. Tegelijkertijd stijgt het aanbod flink: er staan bijna 40.000 woningen te koop — het hoogste niveau sinds 2019.

Dat groeiende aanbod zorgt langzaam maar zeker voor een verschuiving: van een verkopersmarkt naar een kopersmarkt. De tijd dat een woning binnen enkele dagen verkocht was, is voorbij — gemiddeld duurt het nu 31 dagen voordat een huis over de schreef gaat. En het aantal bezichtigingen per woning is bijna gehalveerd vergeleken met begin 2024 (gemiddeld nog maar bijna 7 per woning). Bovendien is bijna één op tien verkochte huizen de afgelopen maanden in prijs verlaagd — een stijging van 9,5 procent. Een paar jaar geleden was dat nog minder dan 5 procent.

“De groei van het woningaanbod, de stijgende rente én de economische en politieke onzekerheid onder kopers spelen hier allemaal een rol”, concludeert de NVM. Sinds de oorlog in het Midden-Oosten is uitgebroken, zijn de hypotheekrentes flink omhooggeschoten — en dat drukt op wat kopers kunnen bieden.

Makelaars merken dat veel verkopers nog steeds leven in het oude beeld: weinig aanbod, snelle verkoop, hoge overbiedingen. Maar die tijd is voorbij. “Verkopers rekenen nog geregeld op hoge biedingen en een snelle verkoop. Dat is in de huidige markt niet altijd meer het geval — het ontbreekt soms aan realiteitszin”, zegt de NVM. En ja: wie zijn huis te hoog in de markt zet, loopt het risico op een lager bod dan verwacht — of zelfs helemaal geen bod.

Regionale verschillen worden steeds duidelijker

In populaire gebieden zoals Haarlem en Leiden zijn al prijsdalingen zichtbaar. Ook in Zeeland gaan de prijzen omlaag. De gestegen hypotheekrente speelt hier een grote rol: kopers kunnen minder lenen, en dus ook minder bieden.

Tegelijkertijd stijgen de prijzen nog wel in Drenthe, Noord-Limburg en rond Delfzijl — maar dat komt vooral door het lage aantal transacties daar. Enkele duurdere woningen die recent werden verkocht, trekken de gemiddelde prijs automatisch omhoog.

In Amsterdam is er slechts een minieme stijging van 0,6 procent — mede door het grote aanbod van voormalige huurwoningen die nu snel te koop worden aangeboden zodra een huurder vertrekt. Dit fenomeen bestaat al een tijdje: hogere belastingen, stijgende rentes en strengere regels doen veel kleine investeerders de deur uit gaan.

Ook in Rotterdam en Utrecht stijgen de prijzen minder hard dan het landelijke gemiddelde — weer door het grote aanbod.

Nieuwbouw staat stil — en wordt kleiner

Door het groeiende aanbod van bestaande koopwoningen is nieuwbouw minder in trek. En wat wel te koop staat, is vaak kleiner: de gemiddelde nieuwbouwwoning heeft steeds minder vierkante meters — terwijl de verkoopprijs rond de 500.000 euro blijft hangen. Dus: minder ruimte voor hetzelfde geld.

Daarbovenop stijgen de bouwkosten door de oorlog in het Midden-Oosten — grondstoffen worden duurder. Het resultaat? Er staan nu 21.500 nieuwbouwwoningen bij makelaars te koop — vooral appartementen. Volgens de NVM is dat het hoogste aantal sinds 2015.

Bekijk origineel artikel

Softwarepionier van Apollo 11: Margaret Hamilton (90) overleden

Margaret Hamilton, de briljante softwareontwikkelaar die het hart van de Apollo-11-missie in 1969 vormde, is op 30 september op 90-jarige leeftijd overleden. Zonder haar baanbrekende werk had de eerste menselijke landing op de maan misschien nooit plaatsgevonden — en was de Amerikaanse overwinning in de ruimtewedloop van de jaren zestig onzeker gebleven.

Haar dood werd bekendgemaakt door het MIT, waar ze vanaf 1959 tot halverwege de jaren zeventig werkte. In het begin ontwikkelde ze software om weersvoorspellingen te verbeteren — een tijd waarin ‘informatica’ nog geen officieel vak was, en programmeurs zich vaak zelf moesten leren coderen. Ook Margaret leerde zichzelf programmeren. Toen kwam ze terecht bij de onderzoeksgroep die zich richtte op de software voor het Apolloprogramma. Die afdeling won in 1961 een cruciaal contract van NASA — en uiteindelijk leidde Hamilton een team van honderd ingenieurs dat de volledige vluchtsoftware voor de Apollo-missies ontwierp.

Ze wordt wereldwijd beschouwd als één van de grondleggers van software-engineering — een term die zij zelf bedacht. Hoogleraar Oliver Weck van het MIT zei erover: “Zeggen dat ze een pionier was en dat ze haar tijd ver vooruit was, zou een enorme understatement zijn. Ze was software-ingenieur in een tijd dat dit vakgebied nog in de kinderschoenen stond; ze ontwikkelde niet alleen zelf geavanceerde codes, maar leidde ook een team dat deze opkomende technologie gebruikte om een van de meest complexe systemen te ontwikkelen die de mensheid ooit heeft voortgebracht.”

In 2016 kreeg ze van president Barack Obama de Presidential Medal of Freedom, de hoogste burgerlijke onderscheiding in de Verenigde Staten, voor haar wetenschappelijke en ruimtevaartbijdrage. En in 2017 vertelde ze in een interview nog eens over haar ervaringen tijdens het Apollo-project.

Bekijk origineel artikel