AI kijkt toetsen na van docent Sander: ‘Binnen een kwartier nagekeken’
Een toets nakijken met hulp van AI — is dat nou spannend, onrustig… of juist écht verademend voor leraren die al jaren tegen een berg werk aankijken? Voor docent Sander Neilen van het Parmant Aloysius in Eindhoven blijkt het verrassend prettig te zijn. “Ik heb een toets binnen een kwartier nagekeken”, zegt hij gewoonweg. En ja, hij meent het.
Nakijken is één van die taken waar niemand onderuit kan — maar wel vaak met een zucht begint. Denk aan een stapel van 25 toetsen, zorgvuldig doorbladeren, antwoorden checken, punten toekennen… vooral bij open vragen kost dat tijd. Sander weet dat uit ervaring: “Voor een grote toets ben ik gemiddeld anderhalf uur aan het nakijken.”
Wat doet deze AI nou precies?
Sander is één van de zeven docenten die CheckMate testen — een nieuw AI-hulpmiddel van CitoLab, de innovatietak van toetsenbureau Cito. Terwijl gesloten vragen al jaren automatisch worden nagekeken, is dit de eerste keer dat ook open vragen op een betrouwbare manier door AI kunnen worden beoordeeld. Sander heeft al een paar aardrijkskundetoetsen ermee afgenomen — en is positief verrast.
“In het begin was ik best sceptisch”, erkent hij eerlijk. “Durf ik het nakijken echt uit handen geven aan een stukje software?” Maar na wat proberen komt zijn conclusie: “Het lukt de AI behoorlijk goed om goede suggesties te geven.” Volgens hem maakt CheckMate het nakijken overzichtelijker, consistenter én vooral: sneller.
Toch is hij duidelijk: “Het is en blijft een hulpmiddel. Ik wil zelf alle antwoorden gezien en gecheckt hebben. Die verantwoordelijkheid ligt bij mij — niet bij de AI.”
Waarom willen leraren dit eigenlijk?
Sander merkt bij collega’s ook een duidelijke behoefte: steeds meer toetsen gaan digitaal, dus waarom zou het nakijken dan nog steeds handmatig en tijdrovend blijven? “Het zou zonde zijn als we die ontwikkeling niet mee nemen”, zegt hij.
Volgens projectleider Eva de Schipper van Cito is CheckMate al zo’n vier jaar in de maak. Het is bedoeld als een gebruiksvriendelijk hulpmiddel voor alle schoolniveaus — en in principe in vrijwel elk vak inzetbaar. “Alleen bij vreemde talen is het wat minder geschikt”, legt ze uit, “want daar gaat het meer om taalvaardigheid dan om inhoudelijke kennis.”
Komend jaar wordt CheckMate uitgebreid getest in nog meer klassen. De feedback van docenten zoals Sander wordt actief gebruikt om het hulpmiddel verder te verfijnen. Eva: “Uiteindelijk willen we dat nakijken voor veel meer docenten écht makkelijker wordt.”
Groningen gaat vlaggen met Keti Koti – derde provincie die het slavernijverleden zichtbaar maakt
De provincie Groningen maakt vanaf dit jaar Keti Koti een vast onderdeel van haar vlagprotocol. Dat betekent: op 30 juni gaat de vlag halfstok om het slavernijverleden te herdenken, en op 1 juli – de dag zelf van Keti Koti, oftewel ‘verbroken ketenen’ – wordt de vlag in top gehesen op het provinciehuis. Een mooie, duidelijke manier om zowel te rouwen als te vieren: de officiële afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën vond op 1 juli 1863 plaats – al duurde het nog tien jaar voordat de praktijk daadwerkelijk ophield.
Groningen is daarmee de derde provincie die Keti Koti zo formeel opneemt in haar vlagregels. Zeeland en Drenthe zijn hier al eerder mee gestart. “Ik roep alle andere provincies op om ook te gaan vlaggen met Keti Koti”, zegt gedeputeerde Roemers (PvdA) bij RTV Noord.
Het initiatief past in een bredere beweging: drie jaar geleden bood koning Willem-Alexander formeel excuses aan voor de Nederlandse rol in de slavernij – na eerder al een vergelijkbare verklaring van premier Rutte. En Roemers wijst er ook op dat duizenden Groningers een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond hebben: “We vinden het meer dan gepast om daarom te vlaggen.”
Volgens de officiële Rijksoverheid-vlaginstructie zijn er maar een handvol dagen waarop overal in Nederland wordt gevlagd: Koningsdag, 4 en 5 mei, Veteranendag (laatste zondag in juni) en 15 augustus. Alles daarbuiten – zoals Keti Koti – is een keuze voor provincies en gemeenten. Amsterdam doet het al jaren en laat dan ook vaak de vlaggen van Suriname en de Nederlandse Caribische eilanden meewapperen.
🚨 Wat is er aan de hand met die ‘spreidingswet’?
Je hebt er misschien al over gehoord: de spreidingswet. Die moet ervoor zorgen dat asielzoekers niet allemaal op één plek terechtkomen — zoals nu in Ter Apel, waar het aanmeldcentrum al dagenlang overvol zit. Als gevolg daarvan moesten andere gemeenten onlangs spontaan bijspringen om mensen op te vangen die er gewoon niet meer binnen konden. De wet werkt zo: eerst wordt gemeenten gevraagd om vrijwillig opvangplekken te regelen. Maar als dat niet genoeg is, kan het kabinet wettelijk ingrijpen en gemeenten dwingen mee te doen.
💡 Waarom wil een groep politieke partijen die wet nu weg?
JA21 heeft een initiatiefwet ingediend om de spreidingswet volledig in te trekken — en daar steunen Forum voor Democratie, BBB, Groep Markuszower en Mona Keijzer achter. Volgens JA21-Kamerlid Simon Ceulemans ‘gaat de wet voorbij aan de kern van het probleem’. Hij legt uit:
“De spreidingswet lost de hoge instroom niet op, maar gooit de gevolgen van die permanent hoge instroom gewoon bij gemeenten over de schutting.”
En hij vindt ook dat dwang geen goede basis is:
“Zolang asielopvang in Nederland plaatsvindt, moet dat altijd op vrijwillige basis zijn.”
Ceulemans denkt zelfs dat de wet averechts werkt: als gemeenten weten dat het Rijk hen uiteindelijk toch kan dwingen, verdwijnt elke prikkel om echt iets aan de oorzaken van de instroom te doen. En dat leidt volgens hem tot minder draagvlak op lokaal niveau — precies wat we juist willen voorkomen.
“Wij willen dat lokaal draagvlak weer leidend wordt.”
⚖️ Maar… blijft de wet nu wel of niet van kracht?
Voorlopig: ja. Er is momenteel geen meerderheid in de Tweede Kamer om de wet daadwerkelijk te schrappen. De coalitiepartijen (waaronder de VVD) willen de spreidingswet voorlopig behouden. Ook VVD-Kamerlid Ulysse Ellian beaamt:
“De wet is van kracht, maar hopelijk is er snel een moment dat het niet meer nodig is — dat betekent namelijk dat we de situatie op orde hebben met elkaar.”
Toch hoopt JA21 dat de VVD op termijn van gedachten verandert. Ceulemans:
“Het wordt tijd dat de VVD kleur bekent. Je kunt niet aan de ene kant zeggen dat opvang vrijwillig moet zijn en aan de andere kant de spreidingswet handhaven.”
Ondertussen laat minister Van den Brink (CDA, Asiel en Migratie) al weten dat hij gemeenten na de zomer mogelijk wél gaat dwingen — als ze niet meedoen met het vinden van opvangplekken. En premier Jetten sprak eerder al over een asielcrisis in Nederland.
🔍 En wat gebeurt er dan verder?
Er zijn de afgelopen tijd wel meerdere maatregelen genomen om de instroom naar beneden te krijgen — denk aan strengere regels voor familiehereniging, kortere verblijfsvergunningen (nu maximaal drie jaar) en snellere screening van migranten bij binnenkomst in Europa. Maar de spreidingswet blijft, voor nu, gewoon van kracht.
Dit weten we over het fatale spoorwegongeluk in België
Het is nog steeds een raadsel hoe vanmorgeneen schoolbusje op een trein kon botsen in België. Wat wel duidelijker wordt, zijn de risico’s rondom die specifieke spoorwegovergang — en wat we nu weten over de chauffeur van het busje. In dit artikel geven we een overzicht van de feiten die tot nu toe bekend zijn.
Een van de zwaarste ongelukken op een overgang
Spoorwegbeheerder Infrabel noemt het een van de ernstigste ongelukken op een spoorwegovergang die België ooit heeft meegemaakt. De aanrijding vond plaats in Buggenhout, tussen Antwerpen en Brussel. Vier mensen kwamen daarbij om het leven: twee kinderen van 12 en 15 jaar uit Bornem, een 27-jarige begeleidster én de 49-jarige buschauffeur. Vijf andere kinderen in het busje raakten zwaargewond.
Het busje reed op een weg die parallel loopt aan het spoor en moest bij de overgang een bocht maken om het spoor te kruisen — rond 08.00 uur. Volgens Infrabel waren de slagbomen op dat moment dicht én knipperde er een rood licht (gevonden via beveiligingscamera’s). Toch reed het busje door — en werd geraakt door een trein die met zo’n 90 kilometer per uur naderde. De machinist probeerde nog te remmen, maar het was te laat.
Geen sporen van alcohol of drugs — en een onberispelijke staat van dienst
Het Openbaar Ministerie liet aan het einde van de dag weten dat de treinmachinist een negatieve adem- en speekseltest had afgelegd. De chauffeur van het busje had geen strafblad. Het vervoersbedrijf waar hij voor werkte, zei tegen DeMorgen dat hij “een onberispelijke staat van dienst” had — en dat hij een ervaren bestuurder was. Of hij bewust langs de slagbomen reed of het per ongeluk deed, is nog onduidelijk. Het onderzoek naar de precieze toedracht is nog volop aan de gang.
Een ‘beroemde’ overgang onder treinmachinisten
Een treinmachinist die niet bij het ongeluk betrokken was, vertelde aan de VRT dat deze overgang al langere tijd bekendstaat als een soort ‘hotspot’ onder collega’s. “Er zijn bepaalde plekken waarvan je weet: hier zou wel eens iemand plots kunnen overlopen of overrijden.”
Concreet gaat het om de overgang tussen de Kerkhofstraat en de Stationsstraat. Daar blijven de slagbomen relatief lang dicht als er een trein aankomt — waardoor sommige automobilisten er toch snel overheen rijden, omdat ze anders te lang moeten wachten. Daar komt bij dat twee wegen daar samenkomen, waardoor voertuigen weinig ruimte hebben om de benodigde bocht te maken.
Verslagen reacties en hervatting van het treinverkeer
In Buggenhout hangen de vlaggen aan het gemeentehuis halfstok. Het treinverkeer op beide sporen is vanavond om 20.00 uur hervat.
Buitenland
Deel artikel:
🦟 Bredase viroloog waarschuwt: tijd om écht te leren wat muggen allemaal kunnen
De mug is allang niet meer alleen dat vervelende beestje dat ’s avonds om je oren zoemt of je ’s nachts wakker houdt met een jeuken op je arm. Volgens Babs Verstrepen, viroloog van de Avans Hogeschool in Breda, wordt de mug de komende jaren steeds vaker ook een echt gezondheidskwestie. En daarom wil ze Breda omtoveren tot een soort ‘proeftuin’ voor muggenonderzoek — niet om paniek te zaaien, maar om nu al kennis op te doen over waar ze leven, wat ze verspreiden en hoe we er slim mee om kunnen gaan.
“Waar wij in Nederland nog heel erg aan moeten wennen, is het idee dat muggen ons ziek kunnen maken”, zegt Verstrepen. “Dat gebeurt nu nog nauwelijks, maar die virussen komen wel deze kant op.”
Waarom zou dit hier ook bij ons kunnen gebeuren?
Verstrepen ziet drie grote ontwikkelingen samenkomen:
- Langere, warmer zomers door klimaatverandering → perfecte broedomstandigheden voor muggen
- Onze eigen gewone muggen (ja, die uit de tuin of de regenton!) krijgen steeds meer kans om virussen over te dragen
- Exotische soorten, zoals de tijgermug, trekken langzaam maar zeker op vanuit Zuid-Europa — en die kunnen ziektes als dengue en chikungunya meebrengen
Vooral het Westnijlvirus baart haar zorgen. Dat wordt verspreid door gewone steekmuggen, komt oorspronkelijk vooral bij vogels voor, en geeft bij de meeste mensen weinig tot geen klachten. Maar soms leidt het tot ernstige complicaties — denk aan hersenontsteking. En dan is er de tijgermug: “Lokale besmettingen zitten inmiddels tot ongeveer Parijs”, legt ze uit. “Dat komt dus steeds dichterbij.”
Geen paniek — maar wel actie nu
Verstrepen benadrukt herhaaldelijk: dit is geen acuut rampscenario. Maar het is wel een signaal dat we ons beter kunnen voorbereiden — voordat het nodig is. En daarom pleit ze voor een ‘living lab’: een samenwerking tussen Avans Hogeschool, GGD, provincie, waterschap én de gemeente Breda. Samen onderzoeken waar muggen zich ontwikkelen, wat bewoners ervan vinden en welke maatregelen daadwerkelijk helpen.
Interessant detail? Muggen broeden vaak niet in grote plassen of meren, maar juist in kleine, stilstaande waterplassen:
✅ Rioolkolken (daar staat altijd een laagje water)
✅ Regentonnen
✅ Singels met plezierbootjes én een beetje water erin
✅ Lege bierflesjes in de tuin
✅ De voet van een parasol
En ja — iedereen kent het verhaal van een druppel zeep in de regenton om muggen tegen te gaan… maar niemand weet eigenlijk hoe goed dat werkt. Daar wil Verstrepen graag samen met studenten achter komen.
Samenwerking blijft moeilijk — terwijl het zo simpel zou kunnen zijn
Hoewel ambtenaren van de gemeente Breda enthousiast reageren, blijft het bij woorden. “Iedereen vindt het interessant, maar als je vraagt om eens samen om tafel te gaan, heeft iedereen een drukke agenda”, zegt Verstrepen. Ze vraagt trouwens geen geld: “Ik hoef geen financiële bijdrage van de gemeente. Ik wil vooral dat we samen gaan nadenken — en dat studenten veilig onderzoek mogen doen in de openbare ruimte.”
Want als Nederland te laat begint met voorbereiden, blijft uiteindelijk vaak maar één optie over: bestrijding met chemicaliën. En dat wil Verstrepen liever voorkomen. “Je gaat muggen niet tegenhouden”, zegt ze. “Maar je kunt wel zorgen dat je begrijpt wat er gebeurt, het onder controle houdt — en dat je mensen bewust maakt van wat zij zelf kunnen doen.”
Geduld is op: kabinet moet nu eindelijk geld regelen voor onderwijs aan kinderen met zware beperkingen
Harry Hoekjen, directeur-bestuurder van het Onderwijscentrum Leijpark in Tilburg (een school voor kinderen met een ernstige meervoudige beperking), zegt het maar even hardop: de tijd van wachten is voorbij. Hij hoopt dat de Kamer vandaag écht doorpakt en de staatssecretaris duidelijk instructies geeft. “Het recht op onderwijs voor onze leerlingen wordt landelijk steeds vaker ter discussie gesteld of zelfs ondermijnd”, legt hij uit. “Terwijl we dagelijks zien dat deze kinderen zich aantoonbaar ontwikkelen — gewoon doordat ze naar school gaan.” Na jarenlang praten over het probleem is er nog steeds geen oplossing. En dat is volgens hem eigenlijk heel simpel: het Rijk moet de financiering gewoon zelf op orde brengen. “Deze kinderen kunnen hun stem niet zelf verheffen. Maar onderwijs is voor hen geen gunst — het is een recht. En dat recht moet nu worden nagekomen.”
En het lijkt erop dat de Kamer eindelijk wil luisteren. Een meerderheid wil de financiële regeling snel vastleggen — ook omdat de samenwerkingsverbanden destijds beloofden dat ze de EMB-scholen goed zouden ondersteunen. Het kabinet stuurde het budget weliswaar door, maar daarna begon de ellende pas echt. Want veel samenwerkingsverbanden houden zich niet aan die afspraak.
Daarom nam de Tweede Kamer bijna een jaar geleden al een motie aan van GroenLinks-PvdA-Kamerlid Lisa Westerveld. Daarin werd het kabinet gevraagd om het geld voor EMB-scholen beter te regelen — bijvoorbeeld via een aparte geldpot. Al bijna de hele Kamer was toen voor de motie… behalve de PVV. Toch is er sindsdien niets veranderd. “Schandalig”, noemt Westerveld het. Vandaag zal ze staatssecretaris Judith Tielen (Onderwijs) tijdens het debat flink aanspreken. “Nu is het alleen maar bureaucratische rompslomp voor ouders en leraren, terwijl je precies weet om wie het gaat. Kinderen met een beperking hebben blijkbaar nul prioriteit bij het ministerie. Dus helpen we ze zelf.” Ze introduceert daarom een nieuwe motie waarin het kabinet wordt gevraagd om snel de financiering op orde te stellen.
Ook VVD-Kamerlid Arend Kisteman vindt dat het nu echt genoeg is geweest. “We spreken over slechts 1500 à 2000 leerlingen. Het laatste wat je wilt, is onzekerheid over hun onderwijs. De VVD vindt dus dat het Rijk deze scholen rechtstreeks moet bekostigen.”
D66-Kamerlid Ilana Rooderkerk is het daar volledig mee eens. “Kinderen met een ernstige meervoudige beperking worden steeds vaker geweigerd door samenwerkingsverbanden die hun eigen regels maken. Dat is onaanvaardbaar. Ook zij hebben recht op onderwijs — punt uit.” Ze wijst er bovendien op dat de regels per regio sterk verschillen. “Het kan niet zo zijn dat het voor een kind afhangt van waar je woont of je wel of niet naar school mag. Daarom steunen we het idee van een landelijke aanmelding, zodat iedereen gelijk wordt behandeld. En het aanmeldproces moet ook véél simpeler: nu moeten ouders elk jaar opnieuw registreren. Die kinderen worden niet beter — één keer aanmelden is genoeg.”
CDA-Kamerlid Sarath Hamstra benadrukt ook het belang van passend onderwijs: “Goed en toegankelijk onderwijs hoort bij kansrijk opgroeien. Maar voor kinderen met een ernstige meervoudige beperking is dat helaas lang niet vanzelfsprekend. Daar moet maatwerk mogelijk zijn — en dat begint met een duidelijke, stabiele financiering.”
