Van strakke rij grafstenen naar groen oase: natuurlijke rustplaatsen ook in steden steeds populairder

Een plek waar de wind door het gras ruist, vlinders van bloem tot bloem fladderen en de stilte wordt gevuld met vogelgezang. Zo zien steeds meer mensen hun laatste rustplaats voor zich. Natuurbegraven – zonder grafsteen, zonder kaarsjes of boeketjes – wordt steeds populairder. En terwijl zulke natuurbegraafplaatsen vooral buiten de stad liggen, begint ook in stedelijke gebieden beweging te komen.

Er zijn in Nederland ongeveer veertig natuurbegraafplekken, meestal in de oostelijke regio’s. Maar dat is voor veel mensen uit bijvoorbeeld de Randstad best een eind weg – soms wel 100 kilometer, zo vertelt Esther Kooistra van de Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen (LOB). Daarom zien ze bij LOB dat steeds meer stadsbeheerders op zoek zijn naar een oplossing: een natuurvak op een bestaande begraafplaats.

En terecht, vindt Kooistra. “Mensen willen graag iemand dichtbij hebben om te bezoeken, zonder uren te moeten reizen.”

In Eindhoven zijn al twee van zulke natuurvakkens gerealiseerd, op parochiebegraafplaatsen aan de Doelenstraat en de Kerkhoflaan. Nico van Dongen van de parochie Sint Joris legt uit hoe het kwam: “We hoorden steeds vaker dat mensen liever in de natuur begraven worden, maar dat die parken vaak te ver weg liggen.”

Toevallig hadden ze nog wat grond over – land dat ooit was gereserveerd voor noodsituaties, zoals tijdens epidemieën van tyfus of difterie. Maar aangezien zulke grote uitbraken gelukkig niet meer voorkomen, kon die plek nu een nieuwe bestemming krijgen: een natuurlijke rustplaats voor zo’n honderd mensen.

Geen grafmonumenten, geen decoraties. Alleen de natuur, die haar gang mag gaan. “Maar ja,” lacht Van Dongen, “het moet wel een beetje onderhouden worden.”

Hij ziet het als een logische stap. “Wij zijn nu één van de eersten in een stedelijke omgeving, maar ik verwacht dat er binnen een jaar flink meer bij zullen komen.”

Ook in Alphen aan den Rijn wordt volgend jaar een natuurvak aangelegd, dit keer in Hazerswoude-Dorp. De vraag van bewoners was groot, zegt wethouder Relus Breeuwsma. “We wilden eerst een echte natuurbegraafplaats maken, maar de bodem bleek daar niet geschikt voor.” Dus kozen ze voor een braakliggend stuk op een bestaande begraafplaats. Ruimte voor zo’n 200 graven.

In Ede is al tien jaar lang natuurbegraven mogelijk op de gemeentelijke begraafplaats. Maar de populariteit is zo groot dat alle plekken op zijn. “We krijgen elk jaar berichten van mensen die hier graag begraven willen worden,” zegt een woordvoerder van de gemeente. Toch is het lastig om een extra plek te creëren. “De omringende natuur is vaak beschermd, dus je kunt er niet zomaar een begraafplaats neerzetten.”

Natuurbegraven Nederland, de organisatie achter veel van deze initiatieven, ziet de toename van natuurvakkens in steden als een positieve trend. “Hoe groener, hoe beter,” zegt woordvoerster Hanneke Reijnders. “Ieder initiatief dat goed is voor de natuur, juichen we toe.” Maar ze benadrukt ook: een groen vak op een stedelijke begraafplaats is geen echt openbaar natuurgebied. Het blijft een plek van herdenking – zij het dan in een veel natuurlijkere vorm dan de strakke rijen grafstenen van weleer.

Bekijk origineel artikel

Overlevingskans bij uitgezaaide kanker stijgt: langere levensverwachting, maar niet voor iedereen

Elk jaar krijgen ongeveer 22.000 mensen in Nederland te horen dat hun kanker al is uitgezaaid op het moment van diagnose. Dat betekent dat de tumorcellen zich hebben verspreid naar andere delen van het lichaam, zoals organen of botten. Hoewel dit altijd een zware tegenslag is, zijn er de afgelopen jaren wel positieve ontwikkelingen te zien als het gaat om hoe lang mensen met uitgezaaide kanker blijven leven.

“Het blijft natuurlijk slecht nieuws, ook al wordt de situatie iets hoopvoller”, vertelt Natasja Raijmakers, hoofdonderzoeker palliatieve zorg bij het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL). “Binnen zeven maanden overlijdt de helft van deze patiënten. Maar bij de andere helft zie je dat de overleving langzaam maar zeker verbetert.”

Een mooi voorbeeld daarvan is dat het percentage patiënten dat drie jaar na de diagnose nog in leven is, is gestegen van 17 procent in 2018 naar nu 21 procent. Dat klinkt misschien niet veel, maar voor mensen die met deze ziekte leven, kan het verschil maken tussen nog tijd hebben voor belangrijke momenten – of juist niet.

Waardoor leef je nu langer?

De toename in overleving heeft waarschijnlijk te maken met nieuwe behandelingen zoals immunotherapie en doelgerichte therapieën. Deze werken anders dan klassieke chemotherapie. In plaats van alle snel delende cellen aan te pakken, richten deze behandelingen zich op specifieke kenmerken van de kankercellen of activeren ze het eigen immuunsysteem om de tumor te herkennen en aan te vallen.

“Voor een klein groepje patiënten werkt dat echt indrukwekkend goed”, legt Raijmakers uit. “Zij kunnen soms jaren langer doorleven dan ooit gedacht werd. Maar helaas geldt dat succes niet voor iedereen. Voor veel mensen helpt het weinig of niet.”

Vroeg praten over wat je belangrijk vindt

Daarom benadrukt Raijmakers het belang van eerlijke gesprekken vanaf het begin. “Palliatieve zorg hoort erbij vanaf dag één. Het gaat er niet alleen om klachten te verlichten, maar ook om te bespreken wat iemand nog wil doen, wat hij of zij belangrijk vindt, en wanneer je misschien liever stopt met behandelen.”

Dat is geen makkelijk onderwerp, maar volgens haar cruciaal. “Je moet vroeg nadenken over waar je energie in wilt stoppen. Wil je nog meer behandelingen proberen, of kies je ervoor om je laatste tijd zo goed mogelijk te beleven?”

Een wonder? Nee, maar wel geluk

Claudia van Deudekom (47) weet er alles van. In 2011 kreeg ze te horen dat haar huidkanker (melanoom) was uitgezaaid naar meerdere organen. Ze had net een kind gekregen en kreeg te horen dat ze nog maar een paar maanden te leven had.

“Ik was moeder geworden én doodziek. Dat voelt surrealistisch”, vertelt ze. Eerst leek een eerste immunotherapie effect te hebben – sommige tumoren ‘verkalkten’ zelfs – maar al snel verspreidden de uitzaaiingen zich naar haar hersenen, waar de behandeling niet doorkwam.

Na operatie en bestralingen leek het alsof er geen hoop meer was. Toch gaf ze niet op. Bij een laatste poging sloeg de immunotherapie plotseling wél aan. Na anderhalf jaar behandeling waren alle tumoren verdwenen.

“Tumorvrij, ja – maar beter? Nee, niet direct”, zegt Claudia. “Ik heb hersenbeschadiging opgelopen en moest leren leven met fysieke en mentale beperkingen. Revalidatie duurde lang. Doorleven is mooi, maar ook verwarrend. Je bent blij dat je er bent, maar je bent nooit meer wie je was.”

Ze ziet ook hoe lastig het is voor artsen. “Soms voelt het alsof je Russische roulette speelt. Voor de één werkt het wonderbaarlijk, de ander krijgt niets van de behandeling. Dat is pijnlijk om mee te maken.”

Zorg die past bij de patiënt

Toch is er nog werk aan de winkel. Onderzoek laat zien dat een kwart van de kankerpatiënten in 2023 nog behandeld werd met therapieën die meer nadelen hadden dan voordelen – vaak in de laatste fase van het leven.

Anke Vervoord van de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK) vindt dat hard aankomen. “De meeste mensen willen juist dat hun laatste tijd goed is. Niet eindeloos doorgaan met behandelingen die weinig helpen. Daarom moet je op tijd praten over wat je nog wel en niet wilt.”

Die gesprekken maken het voor iedereen duidelijker: voor de patiënt, de familie én de zorgverleners. En dat zorgt ervoor dat de zorg écht aansluit bij wat belangrijk is.

Raijmakers benadrukt: “We moeten blijven investeren in nieuwe behandelingen, zeker voor soorten kanker waar nog weinig tegen te doen is. Maar even belangrijk is het om iedere patiënt de juiste zorg te geven – ook als genezing niet meer haalbaar is.”

Bekijk origineel artikel

Hartklachten, depressie en oorpijn: mensen bij industrie voelen zich vaker ziek

Stel je voor: je woont vlakbij een groot industrieterrein, met hoog oprijzende fabrieken en rookpluimen aan de horizon. Al jaren hoor je bewoners klagen over gezondheidsproblemen – van hoofdpijn tot hartkloppingen. Nu blijkt uit nieuw onderzoek dat die klachten geen toeval zijn. Mensen die dichter bij zware industrie wonen, ervaren hun gezondheid als stukken slechter dan anderen in Nederland.

Dat komt naar voren uit een studie van het kennisinstituut Nivel, gedaan in opdracht van Stichting Frisse Wind – een organisatie die strijdt voor schone lucht en een gezonde leefomgeving, vooral in gebieden waar industrie en huizen dicht op elkaar liggen. Het onderzoek baseert zich op gegevens van honderdduizenden mensen, verzameld door de GGD’s tussen 2016 en 2022, rond zeven grote industriegebieden.

De resultaten? Duidelijk. Bewoners in de buurt van fabrieken melden meer last van hartklachten, oorpijn, depressie en angst. Ze hebben ook vaker chronische aandoeningen en voelen zich algemeen minder fysiek en mentaal goed. En dit patroon herhaalt zich jaar na jaar.

“Wie dichter bij de fabriek woont, voelt zich structureel ongezonder. Dat is echt zichtbaar,” zegt Michel Dücker, hoogleraar en programmaleider bij Nivel. Wat opvalt: zelfs als je rekening houdt met andere factoren zoals roken, inkomen of alcoholgebruik, blijft het verschil bestaan. Dat maakt het patroon extra zorgwekkend.

Hoewel het onderzoek geen harde bewijzen levert dat de uitstoot van fabrieken direct ziektes veroorzaakt, zijn de signalen wel steeds sterker. “We moeten voorzichtig zijn met conclusies,” benadrukt Dücker, “maar als je jaar na jaar dezelfde verschillen ziet, dan weet je dat er iets systematisch speelt.”

Toch ontbreekt nog altijd een landelijke studie die precies uitzoekt wat de oorzaak is. Eerdere plannen voor onderzoeken – zoals naar hoge zorgkosten bij Chemiepark Delfzijl of rond Chemelot – zijn uitgesteld of afgeblazen. Alleen in Zeeland en bij Chemelot loopt er nog onderzoek.

Dücker pleit daarom voor een langdurige gezondheidsmonitor: een systeem waarbij huisartsgegevens en ervaringen van bewoners regelmatig worden vergeleken. “Het gaat niet alleen om meetwaarden in de lucht, maar om hoe mensen zich écht voelen. Als we weten hoeveel klachten terug te voeren zijn op industrie, weten we ook wat die industrie ons eigenlijk kost.”

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Judith Tielen, heeft het rapport nog niet ontvangen. Toen ze nog Kamerlid was, riep ze wel op tot meer onderzoek via het RIVM. “Schone industrie moet een toekomst hebben,” zei ze destijds, “maar die moet ook goed passen bij de mensen die er vlakbij wonen.”

Bekijk origineel artikel

Terug naar Khartoem: waar Sudanezen hun leven opnieuw proberen op te bouwen

Het conflict in Sudan blijft razen, maar ondertussen durven steeds meer mensen terug te keren naar de hoofdstad Khartoem. Een stad die ooit bruisend was van leven, met een imposante skyline langs de Nijl, internationale hotels en levendige terrassen, ligt nu in puin. Toch is er hoop – of misschien eerder een vage droom – om het verloren weer terug te vinden.

Mona Ahmed zit in een taxi-busje en kijkt uit over de stad die ze jaren geleden moest ontvluchten. Ze is lerares en heeft eindelijk haar thuisstad weer bereikt. Haar gevoelens zijn gemengd: blijdschap dat ze terug is, maar ook verdriet als ze de verwoesting ziet. De plekken die vroeger vol leven waren, zijn nu veranderd in ruïnes. “Daar speelden mijn kinderen”, wijst ze naar een verwoest speeltuintje. “En daar kocht ik altijd jurken.” Nu is alles weg. Alles.

Khartoem werd geteisterd door hevige gevechten tussen twee machtige groepen: de paramilitaire RSF en het regeringsleger SAF. Wat begon als een samenwerking tussen twee generaals, liep uit op een bloedige strijd. Voor veel inwoners kwam het conflict volledig onverwacht. Khartoem had nooit eerder zo’n geweld gekend. En nu? Nu is de stad doordrenkt met trauma, verlies en leegte.

Vooral in gebieden onder controle van de RSF werden gruwelijke dingen gedaan: vrouwen verkracht, mannen geëxecuteerd. Mona vertrok net op tijd, toen haar wijk in handen viel van de paramilitairen. “Ik dacht dat het maar even zou duren”, zegt ze. “Een week, hooguit. Maar het duurde jaren.”

Pas sinds dit voorjaar is Khartoem weer in handen van het regeringsleger. De frontlinie is nu honderden kilometers verplaatst. Langzaam probeert men de stad weer veilig te maken – letterlijk en figuurlijk. Op een grasveld waar vroeger gezinnen kwamen picknicken, loopt een man van de VN-explosievendienst met een metaaldetector. Overal liggen nog niet-ontplofte granaten en munitie. “We weten niet waar ze liggen”, zegt woordvoerder Mohammed Awad. “Pas als iemand erop stapt, zien we het.” De detector piept – de man gaat op zijn knieën en prikt voorzichtig in de aarde. Centimeter voor centimeter wordt de stad ontmijnd. Het voelt als onbegonnen werk.

Dat gevoel kent ook winkelier Mohammed Osman. De 29-jarige veegt de stoep voor zijn supermarkt schoon, maar de straat ligt vol puin. Zijn winkel is leeggehaald – zelfs de ventilator is van de muur gerukt. “Ik weet niet waar ik moet beginnen”, verzucht hij. “Kijk hoe het hier uitziet. En er is niemand. Mijn vrienden, collega’s… sommigen zijn dood, anderen zijn weg.” Hij vraagt zich af: “Voor wie ruim ik op? Wie komt er nog shoppen?”

Veel rijkere bewoners zijn gevlucht naar Egypte, Saudi-Arabië of verder. Zij hebben geen haast om terug te keren naar een stad zonder water, elektriciteit of medische zorg. Maar toch wonen er weer miljoenen mensen in Khartoem. Sommigen, zoals Mona, zijn vrijwillig teruggekeerd. Anderen hadden geen keuze – te arm om te vluchten, of te oud om te reizen.

Arts Jamal Mohamed is één van degenen die besloot te blijven. Zelfs tijdens het ergste geweld hield hij een ziekenhuis draaiende. “Het was nooit leeg”, vertelt hij. “Integendeel.” Vooral kinderen komen binnen met ernstige verwondingen – ledematen afgeslagen door explosies. In een bed kreunt een tiener met een afgerukt hand. Naast hem ligt zijn vriend, wiens gezicht gedeeltelijk is weggeblazen.

Toch zijn er ook momenten van hoop. Mona komt thuis en wordt hartstochtelijk ontvangen door een oude vriendin. Ze vallen elkaar in de armen. Binnen vindt ze in een stoffige la een paar oude schoenen terug. Klein geluk, na jaren met slechts twee jurken om te dragen. Maar écht herstellen kan pas als de oorlog echt stopt, beseft ze. “Ik hoop dat de wereld naar ons luistert. Dat het eindelijk ophoudt.”

Bekijk origineel artikel

Veel Brabantse kinderen met een beperking kunnen nergens gewoon meespelen

Stel je voor: je wilt graag naar de speeltuin, maar er is nergens in je buurt een plek waar je écht bij past. Geen toestellen die je kan gebruiken, geen paden waar je rolstoel overheen rolt, en geen andere kinderen die je uitnodigen om mee te doen. Voor veel kinderen met een handicap in Brabant is dat helaas dagelijkse realiteit.

“Juist op die plekken in de buurt ontstaat het eerste contact tussen kinderen met en zonder beperking,” zegt Rebecca Gerritse van Stichting Het Gehandicapte Kind. Volgens haar zijn inclusieve speeltuinen veel meer dan ‘alleen maar’ een plek om te spelen. “Daar leer je dat iedereen anders is, en dat dat helemaal oké is. Dat begrip neem je mee door het hele leven heen.”

Maar zo ver is het nog lang niet overal. Uit onderzoek blijkt dat 155 gemeenten in Nederland nog steeds géén inclusieve speelplek heeft. En in Brabant? Van de 56 gemeenten heeft er maar liefst de helft – 28 – nog geen echte samenspeelplek. Denk aan behoorlijk grote plekken zoals Roosendaal, Goirle en Veldhoven. Dat betekent dat daar kinderen met een beperking vaak gewoon buitengesloten worden.

En dat heeft zware gevolgen. Minstens één op de drie kinderen met een handicap komt nooit op een speelplek in de buurt. En van de kinderen die wél komen, speelt een kwart vaak alleen. “Het lijkt misschien klein: een speeltuin”, legt Gerritse uit, “maar juist daar leren kinderen elkaar écht kennen. Hoe eerder dat gebeurt, hoe meer respect en begrip er later is.”

Een goede samenspeelplek moet er direct uitzien als een plek waar iedereen welkom is. “Als je er aankomt, moet je meteen denken: hier mag ik zijn, hier kan ik meedoen,” zegt ze. De stichting werkt met de 100-70-50-regel: 100% van de toestellen moet uitnodigend zijn, 70% bereikbaar, en minimaal de helft ook echt bespeelbaar voor kinderen met een beperking. “Niet alles kan perfect zijn, maar het draait om bewustwording. Elk kind moet kunnen spelen.”

Gelukkig zijn er ook mooie voorbeelden. Zoals in Uden, waar twaalfjarige Pien wél een inclusieve speeltuin heeft. Met een brede glimlach vertelt ze dat ze daar met iedereen samen kan spelen. Haar moeder Martine Bex is trots: “De speeltuin is overzichtelijk, met vaste paden, leuke kleuren en zelfs een draaimolen waar een rolstoel op kan. Iedereen kan hier wat.” Ze ziet hoe Pien steeds zelfverzekerder wordt. “Ze zoekt nu zelf contact met andere kinderen. Als ze dan samen spelen, straalt ze helemaal. Dat geeft haar zoveel zelfvertrouwen – en dat is gewoon prachtig.”

Toch blijft het gebrek aan zulke plekken vooral liggen bij de gemeenten. “Veel weten niet hoe ze moeten beginnen, of zien het belang nog niet,” zegt Gerritse. “Maar als één gemeente het goed doet, dan volgen anderen vaak snel. Je ziet pas wat mogelijk is als je het met eigen ogen ziet.”

De stichting heeft een groot doel: tegen 2030 moet elke gemeente in Nederland minstens één inclusieve speelplek hebben. “Tegen eind 2026 willen we dat 70 procent van de gemeenten al zo ver is,” zegt Gerritse. “Dat betekent dat er nog zo’n vijftig gemeenten actie moeten ondernemen. Maar de sleutel ligt bij hen: ze moeten het belang inzien, en er iets mee doen.”

Bekijk origineel artikel